Ook voor de misdeelden werd gezorgd
Fier blijft de naam overeind staan: Pauwenstad. Dat was eens Wieringerwaard. Een periode van welvaart in de 19e eeuw, die voor altijd in herinnering blijft van de polderbewoners. In de geschiedenis van deze polder speelt bittere armoede echter ook een grote rol. Het was niet allemaal even zo mooi. De vele herbergen zorgden natuurlijk voor gezelligheid en drank, zodat ellende en het zware werk even konden worden vergeten. Dat gold niet voor de allerarmsten. Zij werden opgevangen in armenhuizen die ook in Wieringerwaard te vinden waren. Of werden naar vrije kolonie-oorden gestuurd zoals Wilhelminaoord, of Frederiksoord. Om boer te worden. Zij kregen in Drenthe onderdak en een klein stukje grond om te bebouwen.
Neem Cornelis van der Ham. Roepnaam Cees. in december 1874 geboren in Wieringerwaard, zoon van veldarbeider Cor en Maartje. Zijn arme ouders werden niet oud. Vader Cor overleed in 1882, moeder Maartje zes jaar later in een woning aan de Walingsweg. De jonge Cees van der Ham kon via de Wieringerwaardse afdeling van de Maatschappij van Weldadigheid naar Wilhelminaoord bij het Drentse Vledder. En er waren er meer die naar het oosten van het land mochten. Het gezin Brouwer (1819) of Arie Wiering. Ook zij kwamen in Drenthe terecht.
‘Armenhuys’
En dan de armenhuizen. Aan de Molenweg bevond zich het laatste armenhuis van Wieringerwaard. Wie zoekt komt het huis tegen met het opschrift op een stuk hout: ’t Armenhuys’. Een ander opvang-onderkomen bevond zich in Nieuwesluis, dat begin 20e eeuw werd verkocht. In de eerste jaren van de 19e eeuw moest ergens nog een armenhuis zijn geweest.
De armenzorg was aanvankelijk een taak van het polderbestuur van Wieringerwaard, ook na de benoeming van de municipaliteit, de gemeente, in 1795. Het eerste armenhuis kwam op 14 oktober 1797 toen het polderbestuur een woning kocht dat als armenhuis werd ingericht. De locatie is niet bekend. In 1843 werd in Nieuwesluis een nieuw onderkomen voor arme mensen gebouwd. Die was voorzien van een keuken, zodat de arme sloebers in de winter warme maaltijden konden krijgen. Op 6 februari 1870 werd dit armenhuis en daarmee de armenzorg overgedragen aan de gemeente, die daarvoor een burgerlijk armbestuur in het leven had geroepen. Het bestuur bestond uit drie leden, benoemd door de gemeenteraad. Vrijwilligerswerk, alleen de secretaris/boekhouder kreeg een vergoeding.
Het armenhuis in Nieuwesluis voldeed uiteindelijk niet meer, waarna in 1906 werd besloten een nieuw armenhuis te bouwen. Een geschikte locatie werd gevonden aan de Molenweg. Dat die locatie op steenworp afstand van het Wapen van Wieringerwaard lag, zal toeval zijn geweest… In augustus 1906 werd de bouw na de aanbesteding toegewezen aan Jacob Kossen uit Barsingerhorn. Hij was de goedkoopste, 2759 gulden. Er kwam een vacature voor een ‘vader’ en ‘moeder’, die het huis beheerden en voor de armen zorgdroegen.
In tegenstelling tot een gasthuis, dat bedoeld was voor tijdelijk verblijf van zwervers, zieken en reizigers, was het armenhuis specifiek op hulpbehoevenden gericht en soms voor permanente opvang.
Liefdadigheid
Gaan we verder terug in de tijd, dan zien we dat in de middeleeuwen de kerkelijke instellingen, soms gesteund door de adel, verantwoordelijk waren voor de armenzorg. Dat gebeurde op basis van liefdadigheid. Later voelden sommige vermogende particulieren zich geroepen om de weldadigheid te beoefenen, bijvoorbeeld door het stichten van hofjes voor armlastige ouderen of andere doelgroepen.
In de 19e eeuw werden opnieuw liefdadigheidsinstellingen met een katholieke signatuur opgericht, vaak gerund door kloosterzusters. In protestants Nederland was de Maatschappij van Weldadigheid actief, opgericht in 1818. In 1854 kwam er weer een wet tot regeling van het armbestuur waarbij het zwaartepunt van de armenzorg bij de kerken kwam te liggen. De gemeenten hadden slechts een aanvullende rol. Ongelovigen kregen weer recht op een uitkering van de gemeente. Belangrijk onderdeel was dat de geboorteplaats doorslaggevend was wie voor de armenzorg diende zorg te dragen.
In Wieringerwaard waren diverse instellingen actief in de armenzorg. De maatschappij van weldadigheid had een afdeling in Wieringerwaard, die zich richtte op de armen in het algemeen en de werklozen. Zij boden steun voor deze groepen van mensen, door werkverschaffing, voedselverstrekking of onderdak te bieden. Of werden naar kolonies in Drenthe gestuurd om te worden begeleid en opgeleid tot zelfstandig boer.
Notaris Backx
Dan was er ook nog Het Witte Kruis afdeling Wieringerwaard, dat zich met name richtte op de zieken. En tot slot een organisatie, de Vereeniging Vrije Liefdadigheid in Wieringerwaard, opgericht in 1884 door notaris Backx. Jawel. De man van de eerste auto.
Backx, die over voldoende geld beschikte, had ook oog voor mensen die het veel slechter hadden. Hij was van mening dat de armenorganisaties niet voldoende deden en richtte samen met Boekel, Van Loon, Kaan en Zijp de Vrije Liefdadigheid op.
De werkwijze was als volgt: de leden – in totaal uiteindelijk 172 – bezochten de arme dorpsgenoten om te onderzoeken hoeveel zij tekort kwamen. Zij kregen bonnen die konden worden besteed aan voedsel, brandstof of kleding. Uit de contributie die de leden moesten betalen, werden de kosten gefinancierd.
De armen werden in Wieringerwaard zeker niet vergeten. Soms waren er projecten waarbij werklozen de kans kregen wat geld te verdienen op boerderijen. Of de armen kregen gratis toegangskaartjes voor uitvoeringen van de plaatselijke verenigingen.
Het armenhuis aan de Molenweg herbergde op het laatst acht bejaarde mensen die in aparte kamertjes een bed hadden. Geleidelijk aan werd de behoefte aan een armenhuis minder door de nieuwe sociale wetgeving uit de jaren vijftig met de invoering van de Algemene Ouderdoms Wet (AOW, 1956) en de Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW, 1959). In 1965 tenslotte werd de Algemene Bijstandswet ingevoerd, die iedere ingezetene het recht gaf op een minimum inkomen.
En nu?
Armoede is niet verdwenen. Er zijn daklozen. Zwervers. Bedelaars. Nog altijd hangen ze rond bij onder meer Nederlandse stations en kent ons land nog opvanghuizen en voedselbanken. En is het Leger des Heils nog immer een onmisbare organisatie. Veel gezinnen of alleenstaanden kunnen maar net rondkomen en beschikken over geen reserves. Ook in Wieringerwaard.
Bronnen:
Schager Courant
Zijper Museum
Regionaal Archief Alkmaar
Historiek.net
Wikipedia
Afran Groenewoud (info) en Suzette Snouck Hurgronje (beeldmateriaal)

