De rederij van boer Jacob Queldam
Wieringerwaard jaagt op walvissen….? Wie dit leest denkt ongetwijfeld dat het niet op dit dorp kan slaan. Toch is het zo. Dan moeten wij wel 350 jaar terug gaan in het verleden. Naar de periode 1750-1800, toen niet alleen hard werd gewerkt op het land, maar Wieringerwaarders ook op een andere manier aan hun inkomsten moesten komen.
Boer Jacob Queldam was een man die nadacht. Een bestuurder van de poldergemeenschap Wieringerwaard, een man die initiatieven durfde te nemen en in 1761 het besluit nam een kleine rederij te beginnen om mee te profiteren van de opbrengsten van de walvisvaart. Queldam was boer, bestuurder en zelfs waarnemend dijkgraaf. Hij kocht een zeewaardig schip en noemde het vaartuig De Wieringerwaard. Het geld voor de aankoop kreeg hij door een aantal Wieringerwaarders mee te krijgen in zijn plannen en mee te laten betalen in de kosten voor de aanschaf.
Queldam zocht contact met een ervaren schipper, Sijmen Jacobsz Cleijn en vroeg hem als commandeur van het schip naar bemanningsleden (stuurlieden, harpoeniers, speksnijders) te zoeken om met het schip naar de Noordelijke IJszee te varen. Het vertrek was op 17 april 1761. Vier maanden later keerde De Wieringerwaard weer terug op de rede van Texel. De buit: 107 vaten spek, hetgeen op zich helemaal niet slecht was.
Een jaar later vertrok het schip opnieuw, nu met de Helderse commandeur Cornelis Pietersz Quak. Het resultaat was nu nog meer bevredigend, 148 vaten spek. Queldam hield zijn administratie goed op orde en wist dat een nieuwe tocht met een beetje geluk lucratief kon zijn. Een jaar later, in 1763, volgde een derde trip naar het hoge noorden en ook nu ging het prima met een opbrengst van 100 vaten spek. Queldam zag florijntekentjes en besloot tot de aankoop van een tweede schip, De Zijpe.
Robbenvangst
De Zijpe ging op robbenvangst. Wist je een ijsveld te traceren met honderden, zo niet duizenden robben met hun jongen, dan kon je in enkele dagen tijd klaar zijn en weer huiswaarts keren. Dat lukte de eerste keer redelijk. Enkele dagen werden echter enkele maanden in de noordelijke kou, maar toch, 78 vaten met spek was geen slechte opbrengst.

Ter Walvischvaart. Schoolplaat voor de Vaderlandsche Geschiedenis. Vervaardigd door C. Jetses, 1910. Beeld: Collectie Onderwijsmuseum.
De volgende paar jaar verliepen wisselend. De Zijpe vertrok nog één keer voor robbenjacht, maar dat bleek geen succes en het schip werd afgedankt. Met een nieuwe aankoop, de Barbara Maria, werd nog eens een poging gewaagd. Terwijl het eerste schip, de Wieringerwaard, 140 vaten binnenbracht – in 1767 – ging het helemaal mis met de Barbara Maria. Het schip raakte door het ijs zwaar beschadigd en bracht weinig binnen.
Queldam ging door met zijn rederij tot en met 1769. Daarna hield hij het voor gezien , nadat de laatste opbrengsten tegenvielen en de kosten hoger waren dan de baten. Er kwam een eind aan de rederij van Queldam, die zich volledig ging richten op zijn activiteiten als boer.
Er waren meer Wieringerwaarders die hun geld verdienden met de walvisvaart. Op een lijst, die nog altijd kan worden bekeken, komen in de periode 1770-1803 negentien namen voor van schepelingen uit Wieringerwaard, die met diverse schepen op jacht gingen naar walvissen. Het waren matrozen, harpoeniers, stuurmannen en gezagvoerders, die meerdere reizen maakten. Vaak woonden zij in de kleine huisjes in Nieuwesluis, grenzend aan het water.
Cornelis Boektjes
De bekendste was Cornelis Boektjes, die ook herbergier en winkelier was in Nieuwesluis. Hij had succes met in totaal 97 gevangen walvissen. En dat leverde hem een aardig vermogen op. Nieuwesluis werd vaarwel gezegd en in De Zijpe kocht hij een groot boerenhuis voor 5000 gulden. Daarmee ging hij Jochem Blaauboer achterna. Jochem verloor zijn vader toen hij zes jaar oud was. Hij woonde achter de Slikkerdijk. Aan de andere kant van de dijk stond de boerderij van Queldam, die Jochem onder zijn hoede nam. Waarschijnlijk zorgde Queldam ervoor dat Blaauboer op zeker moment kon aanmonsteren op een fluitschip. Jochem leerde de kneepjes van de walvisvangst op de schepen van Queldam en hij werd uiteindelijk een ervaren commandeur van diverse schepen – overigens niet die van Queldam – en was zo succesvol dat hij in de Zijpe veel stukken land kon kopen en een echte landheer werd.
Uit een door P. Dekker gepubliceerde lijst van schepelingen in de periode 1770-1803 komen 19 namen voor van Wieringerwaarders, die hebben deelgenomen aan de walvisvaart. Koks, bootsmannen, harpoeniers, matrozen speksnijders en commandeurs. Misschien waren het er meer – immers, vele Noordkoppers en vooral veel uit de Zaanstreek hadden hun inkomsten uit de walvisvaart – maar het geeft wel aan dat de zee ook een belangrijke rol speelde in de geschiedenis van Wieringerwaard.
Bronnen:
Zuiderzeemuseum
P. Dekker: Lijst schepelingen 1770-1803
Jan T. Bremer: Heren, Boeren en Knechten
